Tijdens het FFP-congres viel op hoe verschillend deelnemers de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel ervaren. Wie al gepensioneerd is, merkt er weinig van. Wie nog dertig jaar te gaan heeft, denkt er niet aan. De groep die er het meest mee zit, is precies onze doelgroep: mensen tussen 55 en 65, voor wie de pensioendatum concreet is geworden.
Waar staan we?
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) verplicht pensioenfondsen en verzekeraars om over te stappen naar een premieregeling. De uiterste overgangsdatum is verschoven van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028; de Eerste Kamer stemde daar op 2 december 2025 mee in. In 2026 en 2027 zitten de grote pieken van fondsen die overgaan. Uw eigen fonds informeert u persoonlijk over de datum.
Wat verandert er feitelijk?
De belangrijkste verandering is dat uw pensioen niet langer wordt uitgedrukt als een toegezegd bedrag per jaar, maar als een persoonlijk pensioenvermogen. Uit dat vermogen wordt bij pensionering een uitkering gekocht of uitgekeerd. De premie is voor iedereen hetzelfde percentage; de doorsneesystematiek, waarbij jongeren meebetaalden aan de opbouw van ouderen, verdwijnt.
- U ziet een persoonlijk vermogen in plaats van een toegezegd bedrag. Dat voelt concreter, maar beweegt ook zichtbaarder mee met de markt.
- Voor deelnemers dichter bij pensioen wordt minder risicovol belegd en geldt een beschermingsmechanisme tegen renteschommelingen.
- De kans op verhoging van uw pensioen is groter dan in het oude stelsel, maar de kans op een verlaging ook — en die wordt eerder doorgevoerd in kleine stappen dan in één grote klap.
- Voor het nabestaandenpensioen gelden nieuwe, uniforme regels. Juist bij een overgang tussen werkgevers kan daar een gat vallen.
Het punt dat op het congres het meest werd onderschat
Compensatie. Het afschaffen van de doorsneesystematiek treft vooral deelnemers rond de veertig tot vijfenvijftig jaar: zij hebben jaren meebetaald aan een systeem waarvan zij het voordeel niet meer volledig ontvangen. Sociale partners moeten daar afspraken over maken, en die afspraken verschillen per regeling. Of u compensatie krijgt en hoeveel, staat niet in de wet maar in het transitieplan van uw eigen regeling.
De vraag die klanten stellen is: word ik er beter of slechter van? Het eerlijke antwoord is dat dat per regeling verschilt en dat het antwoord in uw transitieplan staat. Dat document is openbaar, en wij lezen het met u door.
Waarom dit ook een hypotheekvraag is
Voor onze klanten hangt de pensioenvraag bijna altijd samen met de woning. Wie op 62 wil stoppen met werken, heeft vanaf dat moment een lager inkomen, terwijl de hypotheeklast doorloopt. Geldverstrekkers mogen bij klanten die de AOW-leeftijd naderen toetsen op het verwachte pensioeninkomen. Voor 2026 en 2027 is de AOW-leeftijd 67 jaar; voor de jaren 2028 tot en met 2031 is die vastgesteld op 67 jaar en 3 maanden.
Wij rekenen daarom in elk seniorendossier standaard drie momenten door: uw maandlast nu, uw maandlast bij de door u gewenste stopdatum, en uw maandlast na uw AOW-datum. Pas als die drie bedragen naast uw verwachte inkomen liggen, is er een gesprek te voeren over aflossen, oversluiten of verhuizen.