Het is misschien de meest gestelde vraag in ons kantoor: ik heb spaargeld over, moet ik aflossen op mijn hypotheek of gaan beleggen? Er bestaat geen algemeen antwoord, maar er bestaat wel een manier om de vraag scherp te stellen. Die begint met drie percentages naast elkaar.
Percentage 1: wat kost uw hypotheek u netto?
Niet uw rentepercentage, maar uw rente na aftrek. Betaalt u 4% rente, dan kost die rente u na de beperkte hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait netto ruwweg 2,5% tot 2,8%. Extra aflossen levert u dus een zeker, belastingvrij rendement van dat percentage op. Voor een deel van onze klanten is de hypotheekrente al hoger dan wat ze op hun spaarrekening ontvangen; dan is aflossen bijna altijd rekenkundig aantrekkelijk.
Percentage 2: wat houdt u over op sparen?
Uw spaarrente minus de box 3-heffing. In 2026 wordt spaargeld belast met een forfaitair rendement van 1,28% tegen een tarief van 36%, dus ongeveer 0,46% van uw spaargeld boven de vrijstelling van € 59.357 per persoon. Ontvangt u 1,5% rente, dan houdt u ruwweg 1,04% over — vóór inflatie.
Percentage 3: wat houdt u over op beleggen?
Hier zit de kern. Beleggingen worden in 2026 belast met een forfaitair rendement van 6,00% tegen 36%, dus 2,16% van uw belegde vermogen — ongeacht wat u werkelijk verdient. Bij een verwacht brutorendement van 6% en 0,5% kosten houdt u dus ongeveer 3,3% over. Blijft het rendement lager, dan kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling en over het werkelijke rendement afrekenen.
| Bestemming | Bruto | Belasting en kosten | Netto (indicatief) |
|---|---|---|---|
| Extra aflossen (4% hypotheekrente) | 4,0% | Aftrek verlaagt het voordeel | Circa 2,6% – 2,8%, zeker |
| Sparen (1,5% rente) | 1,5% | Circa 0,46% box 3 | Circa 1,0%, zeker |
| Beleggen (6% verwacht) | 6,0% | 2,16% box 3 plus 0,5% kosten | Circa 3,3%, onzeker |
Waarom de rekensom niet het hele verhaal is
Aflossen verlaagt uw maandlast en uw risico, maar zet uw geld vast in stenen. Wie op zijn 63e alles aflost en daarna een dak moet vervangen, moet opnieuw lenen — en dat is op die leeftijd moeilijker en duurder. Beleggen houdt uw geld beschikbaar, maar dan moet u een koersdaling van 25% kunnen uitzitten zonder te verkopen.
De vraag is niet welk percentage het hoogst is. De vraag is welk scenario u kunt volhouden. Een rekenkundig optimaal plan dat u bij de eerste correctie verlaat, is slechter dan een tweede-beste plan dat u volhoudt.
Onze werkwijze in dit soort dossiers
Wij verdelen het vermogen in drie delen. Een buffer op de spaarrekening voor onvoorziene uitgaven, meestal zes maanden vaste lasten plus een reservering voor onderhoud. Een middenlaag voor doelen binnen vijf jaar, die blijft sparen. En het deel dat tien jaar of langer kan blijven staan, dat in aanmerking komt voor beleggen of voor aflossen. Die driedeling maakt de vraag hanteerbaar, omdat u niet meer over uw hele vermogen hoeft te beslissen.